Wetsvoorstellen op gebied van arbeidsrecht “niet flex”!?
Het nieuwe kabinet laat ook op het gebied van het arbeidsrecht van zich horen. Diverse regelingen die al lang lagen te wachten op behandeling in de Tweede Kamer komen nu aan bod. Het gaat nu vooral om regelingen ter versterking van de positie van de zogenoemde 'flexwerker'. Dus de uitzendkracht, oproepkracht (nul-urencontract) en werknemers met een contract voor bepaalde tijd. Uiteraard is het eerst maar afwachten of deze regelingen straks ook door de Eerste Kamer gaan komen en dus of deze ook daadwerkelijk wet gaan worden. Maar als dit het geval is, dan wordt flexibel werkzaam zijn wellicht wel heel erg lastig.Mogelijk weer wijziging ketenregeling
In het op 21 april 2026 in aangepaste vorm aangenomen Wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers staat onder meer dat de doorbrekingstermijn van de ketenregeling een periode van 36 maanden moet gaan bedragen. Nu is dit een periode van 6 maanden. In eerste instantie was overigens voorgesteld om een periode van 60 maanden als tussenpoos aan te houden. Maar dit is nu aangepast naar 36 maanden.
Ketenregeling kort uitgelegd
De ketenregeling ziet toe op het beperken van het aantal contracten voor bepaalde tijd die een werknemer zou kunnen krijgen. Je mag als werknemer nu maximaal 3 contracten binnen 3 jaar tijd krijgen. Een 4e opvolgend contract is dan van rechtswege voor onbepaalde tijd. De werknemer is dan op grond van de wet in vaste dienst.
Hoe zit het met die tussenpoos?
Indien een tussenpoos van ten minste 6 maanden wordt aangehouden bij het aangaan van het (4e) opvolgende contract voor bepaalde tijd, dan begint de hele keten weer opnieuw. Door de tussenpoos van 6 maanden is de keten van opvolgende arbeidscontracten doorbroken en mogen partijen weer 3 contracten voor bepaalde tijd binnen 3 jaar tijd met elkaar aangaan.
De praktijk
In diverse branches, bijvoorbeeld in de horeca, recreatie en landbouw, is het voor zowel werkgever als werknemer zeer wenselijk om fl exibel te zijn en blijven. Denk aan scholieren, studenten, mantelzorgers, asielzoekers, statushouders, ondernemers die op hun beurt zelf een seizoensgebonden onderneming hebben en deels elders werken, etc. Het kabinet wil dat die doorbrekingstermijn van 6 maanden dus 36 maanden wordt.
Stel je bent werkgever en je hebt elk jaar gedurende de zomerperiode behoefte aan tijdelijk (veel) meer medewerkers. Dan moet je straks, indien de regeling wet wordt, (a) goed bijhouden wie je al 3x een zomerseizoen op contract hebt gehad en (b) bij het aangaan van een 4e contract reeds zorgvuldig hebben afgewogen of je diegene wel vast in dienst wilt en kunt nemen. Die medewerker heeft dan in principe namelijk recht op een maandelijks uitbetaling van het loon over het gemiddeld aantal uur per maand. Dit alles heeft mogelijk ook grote gevolgen voor de werknemer. Zelf uit dienst treden of een verlenging weigeren kan betekenen dat er dan geen recht is op WW.
Kortom, is minder flex wel zo flex…?!”
Larenaar Leónie van Meggelen is advocaat arbeidsrecht. Iedere editie schrijft zij een column.
























































